Home

 

 

Een visverhaal over Zweden

 

THE CHANNEL


"Yes, yes, very good fishing", zei de eigenaar van het tankstation toen ik hem op de kaart de rivier aanwees die ik in gedachten had.
"Many big öring, big harr, yes, very good."
"OK, that sounds pretty good", wist ik me nog in te houden. "Can I have a license for that river?"
"No, I'm sorry."
"Why not?"
De man wees met een verdrietig gezicht op een affiche achter zich op de muur. Fiskeförbud Saxån, stond er te lezen. Verboden te vissen.
“Private?”, vroeg ik.
“Yes, private, but everyone except the owner wants to change that.” Leuk, aardig en terecht bovendien, maar dat zou ik deze trip vast niet meer meemaken.
“Right, is there any other good river in this area for flyfishing”?, vroeg ik. “How about this one?”
“No, you cannot flyfish there.”
“Why not?”
“Too many trees.”
“Too many trees? In the water?” (wat ik me daar dan ook bij voor moest stellen).
“No, on the land, the shore. Too many trees. No room for flyfishing.”
“Ah, I see”, hield ik het maar bij.
“And the water is too low now”, vervolgde de man. “But I know another good place for flyfishing. If you go to those lakes”, wees de man aan op het kaartje, ”you see there is a small channel between the two lakes. The water in that channel is moving fast, and in the evening the trout go up that channel to feed in the upper lake.”
Kijk, dat leek nog eens goede informatie. “OK, sound good, how do I get there?”, vroeg ik enthousiast.
“You cannot get there by car, you have to walk the last part.”
“And by bicycle?”
“Oh, then it is no problem.”

 

 

En dus liep ik aan het eind van die middag mijn zwaarbepakte fiets twee kilometer lang over afwisselend een boomwortelpaadje en regelrecht moeras te duwen en te tillen. Maar loon naar werken, want van het ene op het andere moment stond ik op één van de mooiste plekjes waar ik ooit gekampeerd heb. Doodse stilte (want geen weg), uitzicht op een spiegelglad meer en, inderdaad, daar had je ook ‘the channel’: de nauwe passage die de man in het tankstation bedoelde. Ongeveer 20 meter breed en 100 meter lang, vormde het een soort verbindingsrivier tussen de beide meren. Aan de forse stroming en kolken te zien werd het water daar met flink geweld door een behoorlijk diepe nauwte gestuwd; niet bepaald een ideale vliegvisstek dus.

Maar we hadden natuurlijk altijd nog het kleinere meer waar de forel volgens de eigenaar van het tankstation ’s avonds door het kanaaltje naar toe zou trekken om te eten, en inderdaad, daar zag ik de eerste kringen al van stijgende vis! Geen tijd dus voorlopig voor het opzetten van de tent (heerlijk, die lange Scandinavische zomernachten), maar snel met m’n viertje en wat droge vliegen naar de ongetwijfeld enorme (hoeveelheid) forellen. Dat viel knap tegen. Ze waren niet groot, niet talrijk en geen forel bovendien. Nu is vlagzalm een prachtige vis (sterker nog: mijn favoriete salmonide), maar na vrijwel alleen maar vlagzalm op deze vakantie was ik eerlijk gezegd wel een beetje toe aan forel. Maar goed, de vis bepaalt de vangst, niet de visser. En het was duidelijk dat vlagzalm hier de baas was, dus daar zou ik het mee moeten doen.

Probleem was echter dat je op zo’n meer zonder boot niet veel kanten op kunt, en natuurlijk zie je alle serieuze vissen altijd buiten je bereik stijgen. Dan maar proberen om met diep nimfen iets groters te verschalken. Nee dus. Dezelfde kleine vlagzalmpjes die ook al mijn droge vlieg pakten, verder niets. Tja, dan toch maar weer eens bij ‘The Channel’ kijken. Wat ik echter ook probeerde, ik kon de vliegen niet behoorlijk op diepte krijgen. Niet alleen vanwege de stroming, maar ook omdat het er gelet op de waterkleur gewoon erg diep moest zijn. Inmiddels was het al gaan schemeren (0.00 uur), dus tijd om in bed mijn strategie voor de volgende dag te bedenken.

Die nacht droomde ik – uiteraard – van levensgrote forellen die lachend ‘The Channel’ opzwommen en telkens als ze een vlieg van mij zagen er een klein vlagzalmpje aandeden. Toen ik dat op een gegeven moment door begon te krijgen en het water in dook om er wat van te zeggen, bleken de forellen een soort zeemeerminnen te zijn die mij in een vliegviswinkel probeerden te lokken met de meest fraaie hebbedingetjes. Ik trapte daar natuurlijk niet in, en zei dat ik al mijn spullen via internet bestelde. Natuurlijk veranderden de zeemeerminnen onmiddellijk in een menigte woedende hengelsportwinkeliers, die dreigend op mij af kwam gezwommen. Hoog tijd om wakker te worden dus.

Toen ik de volgende ochtend de tent uitstapte en rondkeek was er wat veranderd. Ik zag niet gelijk wat, maar het was iets met het water. De twee meren waren er nog, en ook ‘The Channel’ ertussen lag er nog net zo bij als gisteren. Of? Nee, maar dat kon toch niet? Was de droom nog niet afgelopen, of stroomde het water werkelijk de andere kant op? Nog eens goed kijken en nadenken leverde echter dezelfde conclusie op: geen twijfel mogelijk, de stroming was omgekeerd, en bovendien een stuk minder sterk dan gisteren! Dat laatste bood natuurlijk perspectief. Misschien zou het daardoor wèl lukken om de bodem te bereiken.

Na een karig en haastig ontbijt (gelukkig maar, zo zou niet veel later blijken) ging ‘Operation Channel Bottom’ van start. Ik begon maar eens met een stuk fluorocarbon van 4 meter, waaraan ik twee flink zware nimfen knoopte (caddis; één goudkop en één ‘natural’), met daarboven nog eens een forse loodhagel. Ik zwiepte het geheel zoveel mogelijk stroomopwaarts, zodat de boel de tijd zou hebben om op diepte te komen. Dat laatste lukte aardig, maar alleen was de bodem duidelijk nog niet bereikt; na talloze worpen had ik nog steeds geen enkele vastloper (laat staan een aanbeet) gehad. Tijd voor grover geschut: 6 meter leader en wat extra lood zouden het moeten doen. Probleem was echter dat door al die bomen en de lange leader niet meer fatsoenlijk was te werpen, en probeer maar eens een rolworp of Spey met al dat oorlogstuig. Change of tactics dus. Wat als ik de boel vanaf mijn standplaats nu eens gewoon in het water zou plempen en laten meedrijven met de stroming, dan zou ik met een beetje sturen de vliegen toch wel op diepte moeten kunnen krijgen?

Met vliegvissen had het allemaal inmiddels nog maar bar weinig te maken. Vandaar dat ik bij de ‘tewaterlating’ toch nog even schuldbewust om me heen keek of er niet toevallig ergens een in tweed geklede Orvis-reclamezuil hoofdschuddend mijn capriolen stond te volgen (je weet wel: zo’n typische Engelsman wiens humor net zo droog is als al zijn vliegen). Maar nee, ik had nog steeds het rijk alleen en kon me dus helemaal te buiten gaan aan de meest krankzinnige technieken in een poging om een behoorlijk vis op de kant te krijgen.

Dus hop, het water in met die loodbundel! En inderdaad, de boel dreef netjes recht van me af , zodat de vliegen zonder al te veel drag op diepte zouden moeten kunnen komen. Toen de backing op de reel al bijna bereikt was, meende ik mijn strike indicator (of zullen we maar gewoon eerlijk ‘dobber’ zeggen?) te zien verdwijnen. Ha eindelijk, de bodem! Dacht ik. Want zoals in vrijwel elk visverhaal veranderde die bodem onmiddellijk in een vis. En – ook dat is zelden anders – een flinke ook. Wat volgde was een enerverende dril, die begon op 27 + 6 meter afstand en eindigde met een enorme vlagzalm aan mijn voeten. Missie geslaagd! Operation Channel Bottom successful! Há, wat nou, meneertje-dry-fly-only? Dat zie ik jou nog niet doen met die drijvende miniatuurtjes van je! En daar waar ik net nog hoopte dat Mr. Tweed er niet zou staan, verlangde ik nu vurig naar publiek. Maar het was en bleef slechts ik en de vis.

En er was een probleem. De vis had zich namelijk tijdens zijn wilde capriolen zo ernstig in de vislijn (sorry: leader) verwond, dat –ie met goed fatsoen niet teruggezet kon worden. Volgende probleem: het was 25 graden en pas 11.00 ’s ochtends. En ik was nog steeds alleen. Maar ja, er zat echt niets anders op, dus de noodlesoup moest plaatsmaken voor ruim 50 cm. vlagzalm tijdens de lunch. En ik moet zeggen, vlagzalm is een heerlijke vis, maar dit was toch iets teveel van het goede. Ik kon het echter niet over mijn hart verkrijgen om niet alles op te eten. Het arme beest had immers dankzij mij het loodje moeten leggen, dus het minste wat ik terug kon doen was hem dankbaar tot op de laatste graat verorberen; dat leek me wel zo correct. En er was een extra drijfveer: pas als ik alles ophad, mocht ik van mezelf weer verder vissen. Al met al was het beest dus nog vrij snel soldaat gemaakt, want oh wat was ik benieuwd naar wat de duistere diepten van ‘The Channel’ nog meer bieden zouden hebben.

De eerste worp was meteen weer raak, en ook de derde was het prijs. Allebei ruim boven de 50 cm. Daarna was het feest der vijftigers even over, en moest ik het doen met vissen tussen de 30 en 45 cm, maar dat is uiteraard niet echt een straf te noemen. Aan het eind van de middag volgde nog één 50-plusser, waarna het helemaal ophield (in de avond houdt de vlagzalm in Zweden het meestal voor gezien, heb ik ervaren). De dag daarna ving ik op alle fronten minder. Naast een paar ‘kleinere’ vissen nog (slechts….) één vijftiger. Niet verwonderlijk, want zo groot was The Channel, dat ‘vlagzalm-aquarium’, natuurlijk ook niet. Tijd om verder te gaan dus.

Toen ik de volgende dag na een modderige, ellendige terugtocht uiteindelijk weer langs het tankstation reed, kon ik het niet laten om de eigenaar nog even te bedanken voor zijn – onbewuste – gouden tip. De man bleek totaal niet geïnteresseerd, maar toen ik op het punt stond om op mijn fiets te stappen tikte zijn zoontje me op de schouder: “Hé Mister, tell me, how did you catch those harr in that channel?” Met een zowel dankbare als schuldbewuste knipoog naar de gesneuvelde vlagzalm antwoordde ik: “On a Mr. Tweed, size 14”, en fietste weg.
 

N.B. Dat van die veranderende stroomrichtingen had natuurlijk te maken met de - ook in Zweden alom aanwezige waterkrachtcentrales !

 

Henk-Jan ten Brinke

 

© Niets van deze Website mag worden

gebruikt zonder uitdrukkelijke toestemming van de Webmaster